the ledge files
the ledge - nl - uk
new
search
conversations
books
Don Quixote

Miguel de Cervantes Saavedra
Querido, Amsterdam, 2003
translation: John Rutherford

originally appeared as:
El ingenioso hidalgo Don Quixote de la Mancha
1605 / 1615, publisher: Juan de la Cuesta, Madrid



refered to by:
Madame Bovary: Patterns of Provincial Life
Gustave Flaubert

Max Havelaar or the Coffee Auctions of the Dutch Trading Company
Multatuli

The Life and Opinions of Tristram Shandy, Gentleman
Laurence Sterne

The Iliad
Homer

The Adventures of Huckleberry Finn
Mark Twain

Bleak House
Charles Dickens

One Hundred Years of Solitude
Gabriel García Márquez

Ulysses
James Joyce

The Unbearable Lightness of Being
Milan Kundera

Lolita
Vladimir Nabokov

[Vreemd]
Bob Rigter

This Blinding Absence of Light
Tahar Ben Jelloun


Other excerpts

excerpt:
Walking Into the Night
Olaf Olafsson

excerpt:
Vita
Melania Mazzucco

excerpt:
Campfire
Julia Franck

excerpt:
Under the Volcano
Malcolm Lowry

excerpt:
Reading &cetera
Pieter Steinz

excerpt:
Don Quixote
Miguel de Cervantes Saavedra

excerpt:
Homecoming
Natasha Radojcic

excerpt:
The One-Room Schoolhouse
Jim Heynen

excerpt:
The Egyptologist
Arthur Phillips

excerpt:
Prague
Arthur Phillips

excerpt:
The Diary of Géza Csáth
Géza Csáth

excerpt:
Lost in the City
Edward P. Jones

excerpt:
The Known World
Edward P. Jones

excerpt:
Zorro
Isabel Allende

excerpt:
The Last Window Giraffe
Péter Zilahy

excerpt:
The Sea
John Banville

excerpt:
Uncle Tom's Cabin
Harriet Beecher Stowe

excerpt:
Ragtime
E.L. Doctorow

excerpt:
The Fifty Year Sword
Mark Z. Danielewski

excerpt:
American Purgatorio
John Haskell

excerpt:
The Restless Supermarket
Ivan Vladislavic

excerpt:
Envy
Kathryn Harrison

excerpt:
Watt
Samuel Beckett

excerpt:
Bitter Fruit
Achmat Dangor

excerpt:
Kreutzer Sonata
Leo N. Tolstoy

excerpt:
Journey to the End of the Night
Louis-Ferdinand Céline

excerpt:
Embers
Sándor Márai

excerpt:
Being Your Own Friend
Wilhelm Schmid

excerpt:
The Gaze
Elif Shafak

excerpt:
Atonement
Ian McEwan

excerpt:
In Babylon
Marcel Möring

excerpt:
Pavel & I
Dan Vyleta

excerpt:
Black Mamba Boy
Nadifa Mohamed

excerpt:
Squirrel Seeks Chipmunk
David Sedaris



the ledge - flash version*

*
Nederlands

DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Hoofdstuk I
Over de aard en bezigheden van de beroemde edelman Don Quichot van La Mancha

In een plaatsje in La Mancha, waarvan de naam mij niet te binnen wil schieten, leefde niet lang geleden zo’n edelman met een lans in zijn wapenrek, een antiek leren schild, een magere knol en een hazewind. Driekwart van de opbrengsten van zijn land werd opgeslokt door een dagelijkse stoofpot van helaas wat meer run- dan schapenvlees, ’s avonds meestal ene gehakt prutje, hond in de pot op zaterdag, linzen op vrijdag, en een enkel duifje toe op zondag. De rest ging op aan een zwartlakense kiel en een fluwelen broek met bijpassend schoeisel voor de feestdagen, en door de week hulde hij zich in zijn gewone goed van het fijnste grijze laken. Bij hem in huis woonden een huishoudster van boven de veertig, een nichtje van beneden de twintig, en voor het land en de markt een knaap die net zo handig de knol zadelde als hij het snoeimes hanteerde. Onze ridder liep tegen de vijftig; hij was sterk van gestel, mager, schraal in zijn gezicht, een voorstander van heel vroeg opstaan en een geestdriftig jager. Er wordt wel beweerd dat hij Quijada of Quesada heette, want dat verschilt enigszins bij de auteurs die hiervan melding maken, al valt uit aannemelijke veronderstellingen op te maken dat hij Quejana heette.
1.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Maar dit maakt weinig uit voor ons verhaal; het is voldoende dat bij de weergave geen duimbreed van de waarheid wordt afgeweken.
Men moet weten dat de bewuste edelman zich de ogenblikken dat hij niets deed – en dat waren de meeste van het jaar – met zoveel liefde en plezier wijdde aan het lezen van ridderromans, dat hij bijna helemaal de beoefening van de jacht vergat, en zelfs het beheer van zijn have; zijn belangstelling of dwaasheid op dit punt ging zo ver, dat hij hele lappen zaailand verkocht voor nieuwe ridderromans, kortom hij haalde alle titels in huis die hij maar te pakken kon krijgen; niets vond hij echter zo goed als de wrochtsels van de beroemde Feliciano de Silva, want diens klare proza en ingewikkelde redenaties schenen hem parels toe, zeker als hij stuitte op liefdesepistels of uitdagingen tot een tweegevecht die veelal gesteld aren in de trant van: De reden van de onredelijkheid waarmee mijn redelijkheid wordt bejegend, verzwakt mijn rede zo, dat ik mij met reden beklaag over uw schoonheid. Of: … de hoge hemelen die uw goddelijkheid op goddelijke wijze met de sterren versterken, en u de verdienste doen verdienen die uw grootheid verdient.
Door het lezen van dergelijke redenaties raakte onze arme ridder de kluts kwijt, en hij brak zich het hoofd om ze te begrijpen en de betekenis eruit te peuren die zelfs Aristoteles niet had opgediept of begrepen, als was hij uitsluitend met dat doel herrezen.
2.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Hij had moeite met de wonden die Don Belianis sloeg en opliep, want hij vreesde dat zijn gelaat en lichaam, hoe uitnemend zijn heelmeesters ook waren geweest, onder de littekens en andere tekenen van geweld moesten zitten. Wat hij prees in de auteur was dat hij zijn boek besloot met de belofte dat eindeloze avontuur te zullen vervolgen, en vaak genoeg beving hem de lust zelf zijn pen te pakken en er metterdaad een eind aan te maken, zoals daar in het vooruitzicht wordt gesteld; en hij had het ongetwijfeld een keer gedaan en zelfs klaargespeeld, als belangrijker en nijpender gedachten het hem niet hadden belet. Hij had vaak met de pastoor van zijn dorp – een geleerd man die in Sigüenza had gestudeerd – onenigheid over de vraag wie de beste ridder was geweest: Palmerijn van Engeland of Amadis van Gallië; meester Nicolás, de barbier van hetzelfde dorp, zei dat niemand haalde bij de Ridder van de Phoebus, en als iemand zich al met hem liet vergelijken, het Don Galaor was, de broer van Amadis van Gallië, want die was altijd bereid de mouwen op te stropen; dat was niet zo’n aansteller of huilebalk als zijn broer en wat moed betreft deed hij niet voor hem onder.
Kortom, hij ging zo op in zijn lectuur, dat hij alle avonden en nachten van zonsonder- tot zonsopgang en alle dagen van de ochtend- tot de avondschemer doorbracht met lezen; en van het weinige slapen en vele lezen droogden zijn hersens zo uit, dat hij zijn verstand verloor.
3.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Zijn brein vulde zich met alles wat hij in zijn boeken las, zowel met betoveringen als twisten, veldslagen, tweegevechten, verwondingen, galanterieën, minnekozerijen, tegenslagen en de onwaarschijnlijkste onzin; en zijn verbeelding werd zo geprikkeld, dat hij dat hele stelsel wonderlijke spinsels als waar ging beschouwen en er voor hem niets waarders op de wereld bestond. Hij zei dat de Cid Ruy Díaz een voortreffelijke ridder was geweest maar het niet haalde bij de Ridder met het Brandende Zwaard, die met de rug van zijn hand in één klap twee woeste reuzereuzen doormidden had geslagen. Nog meer had hij op met Bernardo del Carpio, omdat die in Roncevalles de betoverde Roelant had gedood door zich te bedienen van de list waarmee Hercules de zoon der Aarde Antaeus in zijn armen smoorde. Hij zei veel goeds over de reus Morgante, want al behoorde die tot het geslacht van de giganten, die stuk voor stuk hoogmoedig en brutaal waren, hij was als enige beminnelijk en welopgevoed. Maar het meest had hij op met Reinout van Montelbaen, vooral toen hij hem uit zijn kasteel zag komen en iedereen op wie hij stuitte zag beroven, en toen hij aan de overkant van de zee, zoals zijn historie meldt, dat volledig gouden afgodsbeeld van Mohammed stal.
4.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Hij zou om de verrader Guenelon een handvol schoppen te kunnen verkopen zijn huishoudster geven en zijn nicht erbij.
Hoe dan ook, toen zijn verstand de genadestoot eenmaal had gehad, kwam hij op de vreemdste gedachte die enig gek ter wereld ooit heeft gehad, en dat was dat het hem gepast en gewenst leek, zowel ter verhoging van zijn eigen roem als ten dienste van zijn land, dolend ridder te worden en met zijn wapens en paard over de hele wereld te trekken om avonturen te zoeken en al het andere te doen waarvan hij had gelezen dat dolende ridders het doen, door allerhande smaad te wreken en zich in perikelen en gevaren te begeven waarmee hij, als hij daar goed uit tevoorschijn kwam, eeuwige naam en faam zou verwerven. De stakker waande zich door de kracht van zijn arm al minstens gekroond tot keizer van Trebizonde; en dus haastte hij zich, vervuld van deze aangename gedachten en gedreven door het eigenaardige plezier dat hij eraan beleefde, zijn wens in praktijk te brengen. En het eerste wat hij deed was een wapenrusting schoonmaken die van zijn voorvaderen was geweest en eeuwenlang vergeten, onder een laag roest en schimmel, in een hoek had gestaan. Hij maakte hem schoon en lapte hem op zo goed hij kon; maar hij zag dat hij één groot mankement had, en dat was dat er geen helm met vizier bij zat maar alleen een eenvoudige stormhoed; dat euvel verhielp hij, handig als hij was, door van bordpapier een soort halve helm te kneden die, vastgemaakt aan de stormhoed, de indruk van een volledige helm maakte.
5.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Om na te gaan of het ding deugde en bestand was tegen een houw, trok hij zijn zwaard en gaf er twee klappen op, waarvan de eerste in één tel vernietigde waar hij een week aan had gewerkt, maar hij gaf niet op; hij betreurde het gemak waarmee hij de helm had gesloopt maar om dit gevaar te bezweren, zette hij hem weer in elkaar met twee ijzeren staven aan de binnenkant, tot hij tevreden was over de stevigte en het hoofddeksel zonder een nieuwe proef te doen beschouwde en zag als een vizierhelm van de bovenste plank.
Hierna ging hij zijn knol bekijken, en al was het beest schonkiger dan een vierkante reaal en had het meer gebreken dan het paard van Gonella dat tantum pellis et ossa fuit, hem kwam het voor dat zelfs Alexanders Bucephalus of Babiëca, dat van de Cid, het niet evenaarde. Vier dagen lang dubde hij over de naam die hij het zou geven; want – naar hij zichzelf voorhield – het ging niet aan dat het paard van zo’n beroemde ridder en zo uitnemend van zichzelf zomaar een naam had; dus deed hij zijn best het er een te geven waaruit zowel bleek wat het was geweest voor het van een dolende ridder werd, als wat het nu was; het was immers niet meer dan eerlijk dat wanneer de heer van staat wisselde, het paard meeveranderde en een roemruchte, klinkende naam kreeg in overeenstemming met zijn nieuwe rang en bedrijf; en na vele namen die hij met zijn rijke verbeelding bedacht, schrapte en verwierp, langer maakte, doorstreepte en in ere herstelde, kwam hij er uiteindelijk toe het Rocinant te noemen, volgens hem een nobele en welluidende naam die alles zei over wat het was geweest toen het nog een gewone knol was, alvorens te worden wat het nu was, te weten de nummer één van alle knollen ter wereld.
6.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA


Toen hij zijn paard, nog wel zo naar tevredenheid, een naam had gegeven, wilde hij zichzelf er ook een geven, en hierover dacht hij nog eens een week na, tot hij zich tenslotte Don Quichot noemde, waaruit, als gezegd, de auteurs van deze ware historie hebben afgeleid dat hij beslist Quijada moet hebben geheten en niet Quesada, zoals anderen hebben beweerd. Maar omdat hij zich herinnerde dat de dappere Amadis er niet tevreden mee was geweest Amadis zonder meer te heten, maar de naam van zijn rijk en geboorteland er bij wijze van eer aan had toegevoegd en zich Amadis van Gallië had genoemd, voegde hij, als goede ridder, aan de zijne de naam van zijn geboortestreek toe en noemde zich Don Quichot van La Mancha, waarmee hij naar zijn mening zijn komaf en geboortestreek heel natuurlijk tot uitdrukking bracht en de laatste eerde door er zijn bijnaam aan te ontlenen.
Toen zijn wapenrusting schoon was, van de stormhoed een helm was gemaakt, een naam was gegeven aan zijn knol en hijzelf van naam was veranderd, besefte hij dat hij alleen nog een dame moest zoeken om verliefd op te worden; een dolende ridder zonder liefde was immers als een boom zonder loof of vruchten en als een lichaam zonder ziel.
7.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Hij zei bij zichzelf: ‘Wanneer ik als straf voor mijn zonden of tot mijn geluk hier een of andere reus tegenkom, zoals dolende ridders gemeenlijk overkomt, en ik vel hem in één treffen, of klief zijn lichaam doormidden, of overmeester hem na veel vijven en zessen waarna ik hem dwing tot overgave, zou het dan niet mooi zijn iemand te hebben naar wie ik hem als geschenk kan toesturen en dat hij dan binnenkomt en neerknielt voor mijn zoete meesteresse en nederig en onderdanig zegt: “Ik, mevrouw, ben de reus Bedwang, heer van het eiland Kwaadaardig, in een tweegevecht verslagen door de onvolprezen ridder Don Quichot van La Mancha, die mij heeft bevolen bij Uwe Genade mijn opwachting te maken opdat Uwe Hoogheid naar believen over mij kunt beschikken”?’
O, wat was onze brave ridder in zijn schik toen hij dit betoog had gehouden, en helemaal toen hij iemand vond die hij zijn dame kon noemen! Men meent dat het zo was dat er in een dorp vlak bij het zijne een heel knap boerenmeisje woonde op wie hij een tijdje verliefd was geweest, al heeft zij het vermoedelijk nooit geweten en hij het haar nooit kenbaar gemaakt. Ze heette Aldonza Lorenzo, en haar docht het hem goed de waardigheid van meesteresse van zijn gedachten te geven, en toen hij een naam voor haar zocht die niet erg uit de toon viel bij de zijne en zweemde en geurde naar die van een prinses of hoge dame, besloot hij haar Dulcinea van El Toboso te noemen, want daar kwam ze vandaan, naar zijn mening een welluidende, opvallende en veelzeggende naam, net als alle andere die hij zichzelf en zijn zaken had gegeven.
8.

 
DE VERNUFTIGE EDELMAN DON QUICHOT VAN LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA





vertaling: Barber van der Pol, Atheneum–Polak en Van Gennep, 1997
muziek: uit Man of La Mancha, gezongen door Richard Kiley in de original Broadway production, 1965
9.


español

EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA


Capítulo Primero
Que trata de la condición y ejercicio del famoso hidalgo D. Quijote de la Mancha

En un lugar de la Mancha, de cuyo nombre no quiero acordarme, no ha mucho tiempo que vivía un hidalgo de los de lanza en astillero, adarga antigua, rocín flaco y galgo corredor. Una olla de algo más vaca que carnero, salpicón las más noches, duelos y quebrantos los sábados, lentejas los viernes, algún palomino de añadidura los domingos, consumían las tres partes de su hacienda. El resto della concluían sayo de velarte, calzas de velludo para las fiestas con sus pantuflos de lo mismo, los días de entre semana se honraba con su vellori de lo más fino. Tenía en su casa una ama que pasaba de los cuarenta, y una sobrina que no llegaba a los veinte, y un mozo de campo y plaza, que así ensillaba el rocín como tomaba la podadera. Frisaba la edad de nuestro hidalgo con los cincuenta años, era de complexión recia, seco de carnes, enjuto de rostro; gran madrugador y amigo de la caza. Quieren decir que tenía el sobrenombre de Quijada o Quesada (que en esto hay alguna diferencia en los autores que deste caso escriben), aunque por conjeturas verosímiles se deja entender que se llama Quijana; pero esto importa poco a nuestro cuento; basta que en la narración dél no se salga un punto de la verdad.
1.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA


Es, pues, de saber, que este sobredicho hidalgo, los ratos que estaba ocioso – que eran los más del año – se daba a leer libros de caballerías con tanta afición y gusto, que olvidó casi de todo punto el ejercicio de la caza, y aun la administración de su hacienda; y llegó a tanto su curiosidad y desatino en esto, que vendió muchas hanegas de tierra de sembradura, para comprar libros de caballerías en que leer; y así llevó a su casa todos cuantos pudo haber dellos; y de todos ningunos le parecían tan bien como los que compuso el famoso Feliciano de Silva: porque la claridad de su prosa, y aquellas intrincadas razones suyas, le parecían de perlas; y más cuando llegaba a leer aquellos requiebros y cartas de desafío, donde en muchas partes hallaba escrito: la razón de la sinrazón que a mi razón se hace, de tal manera mi razón enflaquece, que con razón me quejo de la vuestra fermosura, y también cuando leía: los altos cielos que de vuestra divinidad divinamente con las estrellas se fortifican, y os hacen merecedora del merecimiento que merece la vuestra grandeza.
Con estas y semejantes razones perdía el pobre caballero el juicio, y desvelábase por entenderlas, y desentrañarles el sentido, que no se lo sacara, ni las entendiera el mismo Aristóteles, si resucitara para sólo ello.
2.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

No estaba muy bien con las heridas que don Belianis daba y recibía, porque se imaginaba que por grandes maestros que le hubiesen curado, no dejaría de tener el rostro y todo el cuerpo lleno de cicatrices y señales; pero con todo alababa en su autor aquel acabar su libro con la promesa de aquella inacabable aventura, y muchas veces le vino deseo de tomar la pluma, y darle fin al pie de la letra como allí se promete; y sin duda alguna lo hiciera, y aun saliera con ello, si otros mayores y continuos pensamientos no se lo estorbaran. Tuvo muchas veces competencia con el cura de su lugar – que era hombre docto graduado en Sigüenza – sobre cuál había sido mejor caballero, Palmerín de Inglaterra o Amadís de Gaula; mas maese Nicolás, barbero del mismo pueblo, decía que ninguno llegaba al caballero del Febo, y que si alguno se le podía comparar, era don Galaor, hermano de Amadís de Gaula, porque tenía muy acomodada condición para todo; que no era caballero melindroso, ni tan llorón como su hermano, y que en lo de la valentía no le iba en zaga.
En resolución, él se enfrascó tanto en su lectura, que se le pasaban las noches leyendo de claro en claro, y los días de turbio en turbio, y así, del poco dormir y del mucho leer, se le secó el cerebro, de manera que vino a perder el juicio.
3.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Llenósele la fantasía de todo aquello que leía en los libros, así de encantamientos, como de pendencias, batallas, desafíos, heridas, requiebros, amores, tormentas y disparates imposibles, y asentósele de tal modo en la imaginación que era verdad toda aquella máquina de aquellas soñadas invenciones que leía, que para él no había otra historia más cierta en el mundo. Decía él, que el Cid Ruy Díaz había sido muy buen caballero; pero que no tenía que ver con el caballero de la ardiente espada, que de sólo un revés había partido por medio dos fieros y descomunales gigantes. Mejor estaba con Bernardo del Carpio, porque en Roncesvalle había muerto a Roldán el encantado, valiéndose de la industria de Hércules, cuando ahogó a Anteo, el hijo de la Tierra, entre los brazos. Decía mucho bien del gigante Morgante, porque con ser de aquella generación gigantesca, que todos son soberbios y descomedidos, él solo era afable y bien criado; pero sobre todos estaba bien con Reinaldos de Montalbán, y más cuando le veía salir de su castillo y robar cuantos topaba, y cuando en Allende robó aquel ídolo de Mahoma, que era todo de oro, según dice su historia. Diera él, por dar una mano de coces al traidor de Galalón, al ama que tenía y aun a su sobrina de añadidura.
4.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA


En efecto, rematado ya su juicio, vino a dar en el más extraño pensamiento que jamás dio loco en el mundo, y fue que le pareció convenible y necesario, así para el aumento de su honra, como para el servicio de su república, hacerse caballero andante, e irse por todo el mundo con sus armas y caballo a buscar las aventuras, y a ejercitarse en todo aquello que él había leído, que los caballeros andantes se ejercitaban, deshaciendo todo género de agravio, y poniéndose en ocasiones y peligros, donde acabándolos, cobrase eterno nombre y fama. Imaginábase el pobre ya coronado por el valor de su brazo por lo menos del imperio de Trapisonda: y así con estos tan agradables pensamientos, llevado del estraño gusto que en ellos sentía, se dió priesa a poner en efecto lo que deseaba. Y lo primero que hizo, fue limpiar unas armas, que habían sido de sus bisabuelos, que, tomadas de orín y llenas de moho, luengos siglos había que estaban puestas y olvidadas en un rincón. Limpiólas y aderezólas lo mejor que pudo; pero vió que tenían una gran falta, y era que no tenía celada de encaje, sino morrión simple; mas a esto suplió su industria, porque de cartones hizo un modo de media celada, que encajada con el morrión, hacía una apariencia de celada entera.
5.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Es verdad que para probar si era fuerte, y podía estar al riesgo de una cuchillada, sacó su espada, y le dió dos golpes, y con el primero y en un punto deshizo lo que había hecho en una semana: y no dejó de parecerle mal la facilidad con que la había hecho pedazos, y por asegurarse de este peligro, lo tornó a hacer de nuevo, poniéndole unas barras de hierro por de dentro de tal manera, que él quedó satisfecho de su fortaleza; y, sin querer hacer nueva experiencia de ella, la diputó y tuvo por celada finísima de encaje.
Fue luego a ver a su rocín, y aunque tenía más cuartos que un real, y más tachas que el caballo de Gonela, que tantum pellis, et ossa fuit, le pareció que ni el Bucéfalo de Alejandro, ni Babieca el del Cid con él se igualaban. Cuatro días se le pasaron en imaginar qué nombre le podría: porque – según se decía él a sí mismo – no era razón que caballo de caballero tan famoso, y tan bueno él por sí, estuviese sin nombre conocido; y así procuraba acomodársele, de manera que declarase quien había sido, antes que fuese de caballero andante, y lo que era entones: pues estaba muy puesto en razón, que mudando su señor estado, mudase él también el nombre; y le cobrase famoso y de estruendo, como convenía a la nueva orden y al nuevo ejercicio que ya profesaba: y así después de muchos nombres que formó, borró y quitó, añadió, deshizo y tornó a hacer en su memoria e imaginación, al fin le vino a llamar Rocinante, nombre a su parecer alto, sonoro y significativo de lo que había sido cuando fue rocín, antes de lo que ahora era, que era antes y primero de todos los rocines del mundo.
6.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA


Puesto nombre y tan a su gusto a su caballo, quiso ponérsele a sí mismo, y en este pensamiento, duró otros ocho días, y al cabo se vino a llamar don Quijote, de donde como queda dicho, tomaron ocasión los autores de esta tan verdadera historia, que sin duda se debía llamar Quijada, y no Quesada como otros quisieron decir. Pero acordándose que el valeroso Amadís, no sólo se había contentado con llamarse Amadís a secas, sino que añadió el nombre de su reino y patria, por hacerla famosa, y se llamó Amadís de Gaula, así quiso, como buen caballero, añadir al suyo el nombre de la suya, y llamarse don Quijote de la Mancha, con que a su parecer declaraba muy al vivo su linaje y patria, y la honraba con tomar el sobrenombre della.
Limpias, pues, sus armas, hecho del morrión celada, puesto nombre a su rocín, y confirmándose a sí mismo, se dió a entender que no le faltaba otra cosa, sino buscar una dama de quien enamorarse, porque el caballero andante sin amores, era árbol sin hojas y sin fruto, y cuerpo sin alma. Decíase él: 'Si yo por malos de mis pecados, por por mi buena suerte, me encuentro por ahí con algún gigante, como de ordinario les acontece a los caballeros andantes, y le derribo de un encuentro, o le parto por mitad del cuerpo, o finalmente, le venzo y le rindo, ¿no será bien tener a quién enviarle presentado, y que entre y se hinque de rodillas ante mi dulce señora, y diga con voz humilde y rendida: "Yo señora, soy el gigante Caraculiambro, señor de la ínsula Malindrania, a quien venció en singular batalla el jamás como se debe alabado caballero D.
7.

 
EL INGENIOSO HIDALGO DON QUIXOTE DE LA MANCHA — MIGUEL DE CERVANTES SAAVEDRA

Quijote de la Mancha, el cual me mandó que me presentase ante la vuestra merced, para que la vuestra grandeza disponga de mí a su talante"?'
¡Oh, cómo se holgó nuestro buen caballero, cuando hubo hecho este discurso, y más cuando halló a quién dar nombre de su dama! Y fue, a lo que se cree, que en un lugar cerca del suyo había una moza labradora de muy buen parecer, de quien él un tiempo anduvo enamorado, aunque según se entiende, ella jamás lo supo ni se dió cata de ello. Llamábase Aldonza Lorenzo, y a esta le pareció ser bien darle título de señora de sus pensamientos; y buscándole nombre que no desdijese mucho del suyo, y que tirase y se encaminase al de princesa y gran señora, vino a llamarla Dulcinea del Toboso, porque era natural del Toboso, nombre a su parecer músico y peregrino y significativo, como todos los demás que a él y a sus cosas había puesto.
8.


     
The Ledge
editor-in-chief: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Thanks to: De digitale pioniers and
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Design: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
All rights reserved. No part of this work may be reproduced in any form or by any electronic or mechanical means, including information storage and retrieval systems, without permission in writing from the author.