the ledge files
the ledge - nl - uk
nieuw
zoeken
gesprekken
boeken
Kampvuur

Julia Franck
Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2004
vertaling: Hilde Keteleer

oorspronkelijk verschenen als:
Lagerfeuer
2003,



Andere boekfragmenten:
boekfragment:
De nacht in
Olaf Olafsson

boekfragment:
Vita
Melania Mazzucco

boekfragment:
Kampvuur
Julia Franck

boekfragment:
Klein verhaal van een grote gekte
Rob Kappen

boekfragment:
Onder de vulkaan
Malcolm Lowry

boekfragment:
Callahan en andere gedaanten
Onno Kosters

boekfragment:
Lezen &cetera - gids voor de wereldliteratuur
Pieter Steinz

boekfragment:
Bankvlees
Jan van Loy

boekfragment:
Onder het vee
Rutger Kopland

boekfragment:
Een man in de tuin
Rutger Kopland

boekfragment:
De Amerikaan die ik nooit geweest ben
Chris Keulemans

boekfragment:
De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha
Miguel de Cervantes Saavedra

boekfragment:
Terug naar huis
Natasha Radojcic

boekfragment:
Dansen met de kippen
Jim Heynen

boekfragment:
Rondo veneziano
Gerrit Krol

boekfragment:
De rokken van Joy Scheepmaker
Gerrit Krol

boekfragment:
De egyptoloog
Arthur Phillips

boekfragment:
Praag
Arthur Phillips

boekfragment:
Verkleed als mens
Wouter van Oorschot

boekfragment:
De bekende wereld
Edward P. Jones

boekfragment:
Zorro: op weg naar zijn lotsbestemming
Isabel Allende

boekfragment:
De laatste raamgiraf
Péter Zilahy

boekfragment:
De hut van oom Tom
Harriet Beecher Stowe

boekfragment:
Ragtime
E.L. Doctorow

boekfragment:
Langzaam lopen is al verdacht
Arjan Peters

boekfragment:
Het Vijftig Jaars Zwaard
Mark Z. Danielewski

boekfragment:
Purgatorio
John Haskell

boekfragment:
De rusteloze supermarkt
Ivan Vladislavic

boekfragment:
Zuidwester meningen
D. Hooijer

boekfragment:
Afgunst
Kathryn Harrison

boekfragment:
Watt
Samuel Beckett

boekfragment:
Sonny Boy
Annejet van der Zijl

boekfragment:
Bittere vruchten
Achmat Dangor

boekfragment:
Kreutzersonate
Leo N. Tolstoy

boekfragment:
Reis naar het einde van de nacht
Louis-Ferdinand Céline

boekfragment:
Vreemd
Bob Rigter

boekfragment:
Gloed
Sándor Márai

boekfragment:
Handboek voor de levenskunst
Wilhelm Schmid

boekfragment:
Boetekleed
Ian McEwan

boekfragment:
In Babylon
Marcel Möring

boekfragment:
Lezen op locatie
Pieter Steinz

boekfragment:
Het web van de wereldliteratuur
Pieter Steinz

boekfragment:
Zwarte Mamba
Nadifa Mohamed

boekfragment:
Eekhrn zkt eekhrn
David Sedaris



the ledge - flash versie*

*
Nederlands

KAMPVUUR — JULIA FRANCK

Vermoeid lieten de kinderen hun armen zakken, ze hadden de hele tijd gezwaaid, eerst vol enthousiasme en ondanks het uitblijven van reacties, daarna uit gewoonte en kinderlijke eerzucht, wel een uur lang hadden ze gezwaaid, met hun mond tegen het raampje, waar ze vochtige zoenranden achterlieten op de beslagen ruiten, met hun neus tegen de ruiten hadden ze gezwaaid, tot Katja tegen haar broer zei: ‘Ik kan niet meer, kom, we houden ermee op,’ en Aleksej knikte alsof het goed was om het eindelijk op te geven, alsof het goed was om een eind te maken aan het afscheid. De auto schoof weer een stukje op, de remlichten van de kleine bestelauto voor ons gingen uit. In het halfdonker onder het platte uitbouwsel stond een man in uniform die een teken gaf dat we dichterbij moesten komen en die meteen daarop zijn beide armen in de lucht stak. Met een schok hielden we halt, de motor sputterde en verzoop. Al vier uur ging het zo, we hadden misschien drie meter afgelegd in die vier uur, misschien tien. Een paar meter voor ons moest de Bornholmer Brücke liggen, dat wist ik, maar we konden hem niet zien, een breed eenvoudig gebouw waar de smalle rijbaan doorheen liep, onttrok al wat komen ging aan het zicht.
1.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK

De kleine bestelauto werd naar de kant gewenkt en naar een naburige rijbaan geloodst. De straatlantaarns flakkerden en gingen een voor een aan. In de rechterrij bleef er een donker. Ik vroeg me af wanneer ze hier tijd voor reparaties hadden. Misschien ’s nachts tussen twaalf en twee. Je kon de schaduw voor ons dichterbij zien komen, tot hij onder de motorkap verdween, meteen daarna op de motorkap klom, over de voorruit kroop, over onze gezichten, en ten slotte de auto opslokte, meedogenloos, zoals hij alles opslokte wat voor hem lag, de schaduw van dat brede dak, van het gebouw dat de rijbaan overbrugde en ons het zicht belemmerde. Een gebouw helemaal van karton en golfplaat. Tot de zon voor ons tussen de huizen wegzonk en nog één keer in het raam van de wachttoren hoog boven ons oplichtte, alsof ze ons wilde lokken en beloven dat we haar morgen al terug zouden zien, in het Westen, als we haar maar volgden, en weg was ze, ons hier in de schemer met een paar vuurstrepen aan de hemel achterlatend, en de schaduw slokte niet alleen ons op maar de hele stad achter ons toen Gerd zijn sigaret uitdrukte, diep inademde, zijn adem inhield en tegen me zei dat hij zich al tien jaar geleden had afgevraagd wanneer ik eindelijk zou komen, gemaakt nonchalant floot hij tussen zijn tanden, maar toen had ik net die man ontmoet en nu pas kon hij me zeggen, nu ik in zijn auto zat en mijn weg nog maar één kant opging en ik ook niet meer kon uitstappen, waarbij hij lachte, dat hij zich altijd al had voorgesteld hoe hij me naakt in zijn armen zou houden.
2.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK


Gerd stak een nieuwe sigaret op, met zijn tong raakte hij de onderkant van de filter aan, hij startte de motor, zette hem af, startte hem weer, de asbak puilde uit, ik haalde de peuken er met mijn blote hand uit en stopte ze in een plastic zakje dat ik uit voorzorg had meegenomen voor het geval de kinderen misselijk zouden worden. Ik was nu degene die misselijk werd. Ik wilde niet naakt zijn in de armen van Gerd. Tegen dat idee had ik me met succes verzet, tot het moment waarop hij mijn pogingen met dat fluiten tussen zijn tanden en een paar onschuldige woorden belachelijk maakte. Zelfs het feit dat ik me in zijn auto bevond, mijn kinderen op zijn achterbank zaten en de ruiten zoenden en wij op het punt stonden die brug over te rijden, maakte het idee niet opwindend.
Katja kneep haar neus dicht en vroeg of het raampje open mocht. Ik knikte en deed alsof ik het gezucht van Gerd niet hoorde. Ik had lang gedacht dat Gerd me het aanhoren van zijn wensen bespaarde omdat hij wist dat ik door hem niet aangeraakt wilde worden en omdat hij daar respect voor had. Dan weer hoopte ik dat hij mijn lichaam vergeten was, voorzover het ging. Misschien moeilijk dus, maar het was in ieder geval toch een poging.
3.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK

Een poging waarvoor ik hem gewaardeerd had, een poging die hij echter helemaal niet deed, of die op dit moment mislukte. Die man, wiens naam hij beslist niet vergeten was maar die hij niet in de mond wilde nemen, was de vader van mijn kinderen geworden. Maar dat was niet de reden waarom ik opeens walgde van Gerd. Het vervulde me met weerzin dat hij niet wilde zien waarom we in zijn auto zaten. Alleen maar om over die brug te komen zaten we in zijn auto, misschien was er nog wel een andere reden, maar in elk geval niet om een keer ongestoord in een heel kleine ruimte bij elkaar te zitten. Er kwam koele lucht binnen die naar benzine rook en een beetje naar de zomer, maar veeleer al naar de nacht en naar op til zijnde kou. Schemer. Een man in een politie-uniform liep naar onze auto, hij boog zich voorover aan de kant van Gerd om beter in de auto te kunnen kijken. Zijn zaklamp strooide wat licht over onze gezichten, ze brandde zwak en flakkerde alsof ze ieder ogenblik kon uitgaan. Hij controleerde een voor een onze namen en gezichten. Ik keek in een vaal gezicht met een laag, breed voorhoofd, zijn ogen lagen diep en werden door zijn jukbeenderen helemaal in hun holten gedrukt, een Pommers gezicht dat er niet meer jong uitzag hoewel het dat nog was.
4.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK

Met zijn zaklamp klopte hij op het achterportier en zei dat we de raampjes hier niet open mochten laten. Ze moesten om veiligheidsredenen dicht blijven. Nadat hij ook de documenten van Katja en Aleksej gecontroleerd had, zei hij: ‘Uitstappen.’ Mijn portier klemde, ik rukte eraan tot het opensprong en stapte uit.
‘Nee,’ riep de man in politie-uniform boven het dak uit, ‘u niet, alleen de kinderen.’
Ik ging weer in de auto zitten en keerde me om: ‘Jullie moeten uitstappen,’ herhaalde ik en pakte tegelijk de hand van Aleksej, hield hem vast. Hij maakte zich los. Mijn hand gleed in het niets. Pas nu merkte ik hoe ik beefde. De portieren sloegen dicht. De man zei iets tegen mijn kinderen dat ik niet verstond, hij wees naar onze auto, schudde zijn hoofd en klopte Aleksej op zijn smalle schouders, vervolgens zag ik hoe ze hem volgden en in het lage gebouw verdwenen. Boven het donkere raam brandde een neonlamp. Ik wachtte tot er een licht zou aangaan, maar het raam bleef zwart. Misschien was er binnen een rolgordijn. Of er was een speciale laag op aangebracht waardoor je niet naar binnen kon kijken. Je kon alleen van binnen naar buiten kijken – zoals door de koperen ramen in het Palast der Republik.
5.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK

De koning keek naar buiten en kon zijn volk observeren, terwijl de mensen buiten naar blinde ramen keken en verblind door de glans er niet doorheen konden kijken. Als ze op gelijke hoogte met de koning en zijn ramen waren geweest, op de hoogte van de spiegeling ervan, dan hadden ze tenminste zichzelf kunnen zien, hun eigen onverholen nieuwsgierige blik kunnen tegenkomen. Nu stonden ze beneden, de kleine mensen, op het plein. En boven in de ramen weerspiegelde zich alleen de hemel. Er kwam geen antwoord op hun blik. Maar de ruiten van dit raam hier waren heel erg zwart, diepzwart, koolzwart, ravenzwart, hoe langer ik ernaar keek hoe onnatuurlijker het me leek. Geen glans, geen oranje. Alle licht allang opgezogen. Geen raven, geen kolen, geen diepte. Alleen nog maar zwart. Het raam was nep. Gerd drukte de sigaret uit en stak een nieuwe op.
‘Mooi, die stilte.’ Hij genoot van de minuten met mij alleen. Ze zullen aan Katja en Aleksej vragen waarom we de grens over willen, ze zullen hen afzonderlijk meenemen naar een kamer zonder ramen, het kind op een stoel zetten en vragen: wij willen iets weten en je moet ons de waarheid zeggen, hoor je? En Katja zal knikken, en Aleksej zal naar zijn schoenen staren.
6.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK

Kijk me aan, zal de man in staatsdienst zeggen. Hij zal hem op zijn rug kloppen, als bij een kameraad, een collega, een kennis. En niet weten dat Aleksej hem, ook als hij zijn hoofd optilt, alleen maar vaag kan zien omdat zijn bril niet meer sterk genoeg is. Hij kijkt graag naar zijn schoenen, ze zijn dat wat zich het verst van zijn hoofd bevindt en toch nog bij hem hoort, van zijn schoenen weet hij precies hoe ze eruitzien. Misschien zal de ambtenaar hem dreigen, of hem aan zijn arm trekken, zodat Aleksej goed weet hoeveel sterker hij is. Misschien staan ze met z’n drieën voor Aleksej, of met z’n vijven, de hele kamer zou vol staatsdienaren in uniform kunnen zijn, politieagenten, staatsveiligheidsmensen, grenssoldaten, officieren, leerlingen, helpers – maar dan zou die ene wel aan autoriteit inboeten. Wat wil jullie moeder in het Westen? Kent ze die man al lang? Houdt ze van die man? Hebben jullie gezien of hij haar zoent? En zij hem? Hoe zoenen ze elkaar? Willen jullie zo’n vader uit het Westen? Heeft hij cadeautjes voor jullie meegebracht? Welke? Dus is hij een kapitalist. Nietwaar? Zwijgen. Wat kan Aleksej daarop antwoorden? Hij geeft alleen maar verkeerde antwoorden. Er kriebelde iets aan het uiteinde van mijn ruggengraat, ik zou het angst kunnen noemen, maar het was alleen maar gekriebel.
7.

 
KAMPVUUR — JULIA FRANCK

Verkeerde antwoorden. Zelfs dat zal Aleksej niet weten, misschien zal hij het vermoeden. Zullen ze ons vasthouden? Wat was dat papier waard, die vergunning, als ze me gewoon lieten verdwijnen en de kinderen in een tehuis stopten? Verplichte adoptie. Er deden daarover geruchten de ronde. Het waren vooral de vijanden van het land, maar ook de vijanden van de socialistische democratie en heel in het bijzonder degenen die ervandoor gingen, die vluchtten, wier kinderen onder bescherming van de staat gesteld werden. Onherroepelijk en onvindbaar.
8.


Deutsch

LAGERFEUER — JULIA FRANCK


Die Kinder ließen müde ihre Arme sinken, ausdauernd hatten sie gewunken, zuerst voller Begeisterung und trotz fehlender Erwiderung, dann wohl aus Gewohnheit und kindlichem Ehrgeiz, bestimmt eine Stunde lang hatten sie gewunken, die Münder an die Scheiben gedr”ckt, wo sie feuchte Kußränder auf den beschlagenen Scheiben hinterließen, die Nasen an den Scheiben gerieben, sie hatten gewunken, bis Katja zu ihren Bruder sagte: ‘Ich kann nicht mehr, komm, wir hören auf’, und Aleksej nickte, als se es gut, endlich aufzugeben, gut, dem Abschied ein Ende zu setzen. Der Wagen brachte uns erneut ein Stück voran, die Bremslichter des kleinen Lieferwagens vor uns erloschen. Unter dem flachen Überbau stnad im Zwielicht ein Mann in Uniform, der uns bedeutete, näher zu kommen, um sogleich beide Arme in die Luft zu reißen. Ruckartig hielten wir, der Motor stotterte und soff ab. Seit vier Stunden ging es so voran, vielleicht hatten wir drei Meter zurückgelegt in diesen vier Stunden, vielleicht zehn. Wenige Meter vor uns mußte die Bornholmer Brücke liegen, das wußte ich, nur sehen konnten wir sie nicht, ein breites einfaches Gebäude, durch das die schmale Fahrbahn führte, verdeckte die Sicht auf alles Kommende.
1.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK

Der kleine Lieferwagen wurde zur Seite gewunken und in eine benachbarte Fahrbahn gelotst. Die Laternen flackerten und gingen eine nach der anderen an. In der rechten Reihe blieb eine dunkel. Ich fragte mich, wann an diesem Ort Zeit für Reparaturen wäre. Vielleicht nachts zwischen zwölf und zwei. Mann konnte dem Schatten vor uns zusehen, wie er sich näherte, bis er unter der Motorhaube verschwand, kurz darauf die Motorhaube erklomm, über die Windschutzscheibe kroch, auf unsere Gesichter, und schließlich den Wagen verschluckte, rücksichtslos, wie er alles verschluckte, was vor ihm lag, der Schatten jenes breiten Daches, des Gebäudes, das die Fahrbahn überbrückte und uns die Sicht nahm. Ein Gebäude ganz aus Pappe und Wellblech. Bis die Sonne uns voran zwischen den Häusern versank und noch einmal in der Fensterscheibe des Wachturms hoch über uns aufleuchtete, als wolle sie uns locken und versprechen, daß wir sie schon morgen wiedersähen, im Westen, wenn wir ihr nur folgten, und weg war sie und ließ uns hier in der Dämmerung mit ein paar Feuerstreifen am Himmel stehen, und die Schatten schluckten nicht nur uns, sondern die ganze Stadt in unserem Rücken, als Gerd seine Zigarette ausdrückte, tief einatmete, die Luft anhielt und zu mir sagte, er habe schon vor zehn Jahren gefragt, wann ich endlich kommen würde, wie beiläufig pfiff er durch die Zähne, aber damals sei ich gerade erst auf diesen Menschen getroffen und heute könne er es mir sagen, jetst, da ich in seinem Auto säße und mein Weg ja nur noch diese eine Richtung kenne, ich auch nicht mehr aussteigen könne, wobei er lachte, er habe sich immer vorgestellt, mich nackt in den Armen zu halten.
2.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK


Gerd steckte sich eine neue Zigarette an, seine Zunge umfaßte von unten den Filter, er zündete den Motor, stellte ihn ab, zündete ihn erneut, der Aschenbecher quoll über, ich sammelte die Stummel mit der bloßen Hand heraus und stopfte sie in eine kleine Plastetüte, die ich vorsorglich mitgenommen hatte, falls den Kindern schlecht würde. Schlecht war jetzt mir. In Gerds Armen wollte ich nicht nackt sein. Gegen die Vorstellung hatte ich mich erfolgreich gewehrt, bis zu diesem Augenblick, in dem er meine Bemühung mit einem leichten Pfeifen durch die Zähne und ein paar harmlosen Worten lächerlich machte. Selbst der Umstand, daß ich mich in seinem Auto befand, meine Kinder auf seiner Rückbank saßen, die Scheiben küßten und wir im Begriff waren, über diese Brücke zu fahren, machte es nicht aufregend.
Katja hielt sich die Nase zu und fragte, ob sie das Fenster öffnen könne. Ich nickte und überhörte Gerds Stöhnen. Lange hatte ich gedacht, Gerd erspare mir das Anhören seiner Wünsche aus Rücksicht und mit dem Wissen, daß ich keine Berührung von ihm wollte. Dann wieder hoffte ich, er habe meinen Körper vergessen, so gut es ging. Also schlecht vielleicht, aber immerhin ein Versuch. Ein Versuch, für den ich ihn geschätzt hatte, ein Versuch nun, den er gar nicht unternahm, oder der in diesem Augenblick scheiterte.
3.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK

Dieser Mensch, dessen Namen er ganz sicher nicht vergessen hatte, den er aber nicht in den Mund nahm, war der Vater meiner Kinder geworden. Aber das war nicht der Grund, warum mich Gerd plötzlich ekelte. Es ekelte mich, daß er nicht bemerken wollte, warum wir in seinem Wagen saßen. Nur, um diese Brucke zu passieren, saßen wir in seinem Wagen, vielleicht gab es noch einen anderen Grund, aber keineswegs den, mal ungestört auf kleinstem Raum beisammen zu sitzen. Von draußen zog kühle Luft herein, es roch nach Benzin und ein wenig nach Sommer, eher schon nach Nacht und bevorstehender Kälte. Dämmerung. Ein Mann in Polizeiuniform kam zum Wagen, er beugte sich an Gerds Seite herab, um besser ins Innere des Wagens schauen zu können. Seine Taschenlampe streute etwas Licht über unsere Gesichter, schwach glomm sie und flakkerte, als wolle sie jeden Augenblick erlöschen. Der Reihe nach prüfte er Namen und Gesichter. Ich blickte zurück in ein fahles Gesicht mit einer niedrigen, breiten Stirn, die Augen saßen tief und wurden von den Wangenknochen ganz in ihre Höhlen gedrängt, ein pommersches Gesicht, das nicht mehr jugendlich aussah, obwohl es das noch war. Mit der Taschenlampe klopfte er an die hintere Tür und sagte, wir dürften hier nicht mit offenen Fenstern stehen.
4.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK

Die Fenster müßten aus Sicherheitsgründen geschlossen bleiben. Nachdem er auch die Dokumente von Katja und Aleksej überprüft hatte, sagte er: ‘Aussteigen.’ Meine Tür klemmte, ich rüttelte an ihr, bis sie aufsprang, und stieg aus.
‘Nein,’ rief mir der Mann in Polizeiuniform über das Dach hinweg zu, ‘nicht Sie, nur die Kinder.’
Ich setzte mich wieder zurück ins Auto und drehte mich um: ‘Ihr sollt aussteigen,’ wiederholte ich und faßte gleichzeitig nach Aleksejs Hand, hielt sie fest. Er machte sich los. Meine Hand rutschte ins Leere. Erst jetzt bemerkte ich mein Zittern. Die Türen schlugen zu. Der Mann sagte etwas zu meinen Kindern, was ich nicht verstand, er zeigte auf unser Auto, schüttelte den Kopf un klopfte Aleksej auf die schmale Schulter, dann sah ich, wie sie ihm folgten und in dem Flachbau verschwanden. Über dem dunklen Fenster brannte eine Neonlampe. Ich wartete, daß ein Licht anging, aber das Fenster blieb schwarz. Vielleicht gab es innen ein Rollo. Oder eine besondere Beschichtung verhinderte, daß man hineinsehen konnte. Nur von innen war es m”glich, hinauszusehen – wie durch die kupfernen Scheiben im Palast der Republik. Der König sah hinaus und konnte sein Volk beobachten, während die Menschen draußen auf blinde Scheiben blickten und geblendet von deren Glanz nicht hindurchsehen konnten.
5.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK

Wären sie auf einer Höhe mit dem König und seinen Scheiben, auf Augenhöhe der ‘Spiegelung, hätten sie zumindest sich selbst sehen k”nnen, ihrem unverhohlen neugierigen Blick begegnen dürfen. Nur standen sie unten, die kleinen Leute, auf dem Platz. Und oben in den Scheiben spiegelte sich nichts als Himmel. Es gab keine Erwiderung des Blickes. Aber die Scheiben dieses Fensters hier waren besonders schwarz, tiefschwarz, kohlschwarz, rabenschwarz, je länger ich hinübersah, desto unnatürlicher schien es mir. Kein Glanz, kein Orange. Alles Licht längst aufgesogen. Kein Rabe, keine Kohle, keine Tiefe. Nur noch schwarz. Das Fenster würde nichts als Attrappe sein. Ger drückte die Zigarette aus und zündete sich eine neue an.
‘Schön, so eine Stille.’ Er genoß die Minuten mit mir allein. Sie werden Katja und Aleksej fragen, warum wir rüber wollten, sie werden mit jedem einzeln in einen fensterlosen Raum gehen, das Kind auf einen Stuhl setzen und sagen: Wir wollen etwas wissen und du mußt uns die Wahrheit sagen, hörst du? Und Katja wird nicken, und Aleksej auf seine Schuhe schauen. Sieh mich an, wird der Mann im Staatsdienst zu Aleksej sagen. Er wird ihm dabei auf den Rücken klopfen, wie einem Kumpel, einem Kollegen, einem Vertrauten.
6.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK

Und nicht wissen, das Aleksej ihn, auch wenn er den Kopf hob, nur schemenhaft sehen konnte, weil seine Brille nicht mehr viel taugte. Er sah gerne auf seine Schuhe, sie waren dasjenige, das sich am weitesten von seinen Augen entfernt befand und dennoch zu ihm gehörte, von den Schuhen wußte er genau, wie sie aussahen. Vielleicht wird der Beambte ihm drohen, vielleicht an seinem Arm reißen, damit Aleksej nicht vergißt, um wieviel stärker einer wie er war. Vielleicht standen sie zu dritt vor Aleksej, zu fünft, der ganze Raum könnte voll sein von Staatsdienern in Uniform, Volkspolizisten, Angehörigen der Staatssicherheit, Grenzsoldaten, Oberen, Lehrlingen, Helfern – aber dann verlöre der einzelne an Autorität. Was will eure Mutter drüben? Kennt sie den Mann schon lange? Liebt sie den Mann? Habt ihr gesehen, ob er sie küßt? Und sie ihn? Wie küssen sie sich? Wollt ihr so einen Vater aus dem Westen? Hat er euch Geschenke mitgebracht? Welche? Also ist er ein Kapitalist. Nicht wahr? Schweigen. Was konnte Aleksej darauf schon antworten. Es gab nur falsche Antwordtn. Etwas züngelte am Ende meines Rückgrats, ich könnte es Furcht nennen, aber es war nur ein Züngeln. Falsche Antworten. Nicht einmal das wußte Aleksej, vielleicht ahnte er es.
7.

 
LAGERFEUER — JULIA FRANCK

Werden sie uns festhalten? Was zählte schon das Papier, die Genehmigung, wenn sie mich einfach verschwinden ließen, ganz und gar, und die Kinder in ein Heim steckten? Zwangsadoption. Darüber gab es Gerüchte. Insbesondere Feinde des Landes, aber auch Feinde der sozialistischen Demokratie und ganz besonders solche, die sich davonmachten, flohen, das waren diejenigen, deren Kinder in den Schutz des Staates geholt wurden Unwiederbringlich und unauffindbar.
8.


     
The Ledge
Redactie: Stacey Knecht, info@the-ledge.com
Dank aan: De digitale pioniers en
Het Prins Bernhard Cultuurfonds
Ontwerp: Maurits de Bruijn

Copyright: Pieter Steinz, Stacey Knecht
Reproduktie en/of hergebruik uitsluitend in overeenstemming met de auteurs.